'In de machinekamer vond ik mijn plek'

2025 is uitgeroepen tot het Rotterdamse Jaar van de Vrouw. Daarom geeft Onze Haven de komende edities een uniek inkijkje in het (werk)leven van vrouwen die actief zijn in de Rotterdamse haven - van kraanmachinisten tot directieleden. Deze keer: Talya de Lange, 2nd engineer bij Jumbo Maritime.

‘Tijdens mijn studie aan de Zeevaartschool moest ik twee keer vijf maanden stage lopen en Jumbo Maritime stond goed bekend. Mijn eerste stage daar beviel zo goed, dat ik ook voor de tweede terugkwam. Daarna kon ik aan de slag als 3rd engineer. En inmiddels ben ik 2nd engineer bij Jumbo. Tijdens de eerste twee jaar aan de Zeevaartschool volg je zowel de nautische als de technische richting. In de eerste stage doe je het allebei, daarna maak je een keuze. Ik koos voor technisch. In de machinekamer klikte het namelijk meteen: de logica, de storingen die je met nuchter nadenken oplost. Mijn vader sleutelde vroeger aan oude auto’s en daar hielp ik hem vaak bij. Dat gevoel van iets begrijpen en weer aan de praat krijgen; daar werd ik blij van.

Als 2nd engineer ben ik verantwoordelijk voor het dagelijkse management van de machinekamer. Die bestaat uit drie machinisten, een elektricien, een wiper (zorgt voor het klein onderhoud) en vaak ook een leerling. Ik maak de werkplanning, bespreek die ’s ochtends om kwart voor acht in de toolbox en zorg dat het werk doorloopt. We doen veel preventief onderhoud volgens schema, maar er is altijd iets dat tussendoor kan komen. Als het veilig kan, schuiven we dan alles opzij en pakken we die prioriteit. Soms betekent dat langer doorwerken of ’s nachts je bed uit. Het is een puzzel: wat kan alleen in de haven, wat juist op zee, welke grote klussen vragen meer tijd? Ik vind het heerlijk om dat rond te krijgen. Niet alleen voor mezelf, maar voor het hele team. Energie krijg ik van een leuke machinekamerploeg. Als de bemanning enthousiast is, maakt het weinig uit hoeveel problemen we tegenkomen; ingewikkelde klussen maken het dan juist leuker.

We varen de hele wereld over. Ik vlieg naar waar het schip ligt, ben elf weken op, negen weken af. Soms doen we Rotterdam aan. Dat voelt als thuiskomen. De haven van Singapore is indrukwekkend, maar Rotterdam is thuis. Ik werk meestal als enige vrouw aan boord. Op de opleiding waren we met weinig, al zie je de laatste drie, vier jaar langzaam meer vrouwen instromen. Mooi om te zien. Het is een eigen wereldje; je komt jezelf tegen en je belandt soms in situaties die in een “normale” baan niet zo snel voorkomen. Dan is het belangrijk dat je een manier vindt om daarmee om te gaan en een duidelijke grens trekt als iets niet oké voelt. Veel van waar je in het begin tegenaan loopt, geldt trouwens voor elke leerling, man of vrouw. Vrouwen die overwegen dit werk te doen, wil ik meegeven zich niet te focussen op “ik ben hier de enige vrouw”. Concentreer je op je vak, je plezier en je ontwikkeling. Je hoort erbij, omdat je je werk goed doet.

Mijn ambitie? Voorlopig met plezier blijven varen, ooit als hoofdwerktuigkundige. Er zijn nog maar weinig vrouwen die dat doen. Lijkt me een prachtige uitdaging. En ik ben razend benieuwd hoe de scheepvaart gaat veranderen door klimaat en techniek. Daar wil ik later misschien ook iets mee. Maar eerst: voorlopig die machinekamer laten draaien.’